Werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Word of wordt? Vind of vindt? Je hoort het verschil niet, en dat is precies waarom deze regel zo vaak misgaat. In deze les leer je de drie vragen die je altijd stelt — en dan klopt het bijna vanzelf.
Word of wordt? Het is ik word, maar hij wordt. Bij jij let je op de plek: staat jij vóór het werkwoord, dan komt er een t bij (jij wordt); staat jij erachter, dan niet (word jij?).
| Zo schrijf je het | De regel |
|---|---|
| ik word | alleen de stam |
| jij wordt | jij ervoor: stam + t |
| word jij? | jij erachter: alleen de stam |
| hij, zij, het wordt | stam + t |
| wij, jullie, zij worden | het hele werkwoord |
Hoe je deze les gebruikt
- Weinig tijd? Lees de blauwe “Onthoud dit”-blokjes en het stappenplan, en maak de tussenvragen.
- Iets niet duidelijk? Klap de “Meer uitleg”-blokken open.
- Gele blokken laten zien hoe je dit op de doorstroomtoets terugziet.
- Paarse blokken zijn verdieping, handig als je richting havo of vwo werkt.
Waarom je oor je hier niet helpt
Bij bijna alle spelling kun je afgaan op wat je hoort. Bij werkwoorden juist niet.
Zeg deze twee zinnen hardop: ik word boos en hij wordt boos. Hoor je verschil? Nee. In het Nederlands klinkt een d aan het eind van een woord precies als een t. Toch schrijf je ze anders. Dat betekent dat je hier niet naar de klank kunt luisteren, maar moet kijken naar de zin.
Het goede nieuws: er zijn maar een paar regels, en ze zijn met drie vragen af te handelen. Wie die drie vragen leert stellen, heeft dit onderdeel te pakken.
Alles begint bij de stam. Dat is het hele werkwoord zonder -en. Van branden is de stam brand, van worden is het word, van vinden is het vind. Schrijf de stam altijd eerst even apart op — dan zie je meteen of er al een t in zit.
De drie vragen
Elke vraag over de tegenwoordige tijd los je op met deze drie, in deze volgorde.
Vraag 1: wie of wat doet het? Zoek het onderwerp. Dat is de persoon of het ding dat de handeling uitvoert. Let op: het onderwerp staat niet altijd vlak voor het werkwoord.
Vraag 2: is dat ik, jij, of iemand anders? Daar hangt alles van af:
| Onderwerp | Wat schrijf je | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ik | alleen de stam | ik word, ik vind, ik antwoord |
| jij / je (vóór het werkwoord) | stam + t | jij wordt, jij vindt |
| jij / je (ná het werkwoord) | alleen de stam | word jij, vind jij |
| hij / zij / het / een naam | stam + t | hij wordt, Sanne vindt |
| wij / jullie / zij (meer dan een) | het hele werkwoord | wij worden, zij vinden |
Vraag 3: eindigt de stam al op een t? Dan komt er geen tweede bij. De stam van praten is praat — die t staat er al, dus je schrijft hij praat, niet “praatt”.
De valkuil van ‘jij’
Dit is de regel die de meeste volwassenen ook fout doen.
Bij jij gebeurt iets bijzonders: het hangt ervan af waar dat woord staat. Staat jij vóór het werkwoord, dan komt er een t bij: jij vindt dat leuk. Staat jij eráchter, dan valt die t weg: vind jij dat leuk?
Dat gebeurt bij vragen, maar ook bij zinnen die met een ander woord beginnen: Morgen word jij tien. Kijk dus niet alleen of het woord jij in de zin staat, maar ook wáár.
Jij ervoor: t erbij. Jij erachter: t eraf. Draai de zin in gedachten om als je twijfelt: vind jij wordt jij vindt. Zie je nu de t verschijnen? Dan klopt het.
Het onderwerp staat soms ver weg
De lastigste vragen zetten er expres iets tussen.
Kijk naar deze zin: De doos met alle oude schriften ___ nog op zolder. Vlak voor de streep staat schriften, meervoud — dus je hand wil staan schrijven. Maar stel vraag 1: wie of wat staat er op zolder? De doos. Dat is er één, dus: staat.
De toets doet dit expres. Er staat dan een woordgroep tussen het onderwerp en het werkwoord, met een meervoud erin, om je op het verkeerde been te zetten. De remedie is simpel: zoek het onderwerp door de vraag “wie of wat?” te stellen vóór het werkwoord.
Meer uitleg: hoe vind je het onderwerp zeker?
Maak van de zin een vraag door wie of wat voor het werkwoord te zetten. Bij De doos met alle oude schriften staat nog op zolder vraag je: wat staat er nog op zolder? Het antwoord — de doos — is het onderwerp.
Een tweede controle: verander het onderwerp in gedachten naar meervoud en kijk of het werkwoord meeverandert. “De dozen ... staan.” Verandert het mee, dan heb je het goede onderwerp te pakken. Verandert er niets, dan zat je bij een ander woord.
Kun je dit nu?
Tik aan wat je beheerst. Twijfel je ergens? Scroll terug naar dat onderdeel.
Klaar met lezen? Ga oefenen, dan blijft het pas echt hangen.
Naar de oefenvragen →