Taal · Domein 5 · Theorie · Les 1

Werkwoorden in de tegenwoordige tijd

Word of wordt? Vind of vindt? Je hoort het verschil niet, en dat is precies waarom deze regel zo vaak misgaat. In deze les leer je de drie vragen die je altijd stelt — en dan klopt het bijna vanzelf.

Kort antwoord

Word of wordt? Het is ik word, maar hij wordt. Bij jij let je op de plek: staat jij vóór het werkwoord, dan komt er een t bij (jij wordt); staat jij erachter, dan niet (word jij?).

Zo schrijf je hetDe regel
ik wordalleen de stam
jij wordtjij ervoor: stam + t
word jij?jij erachter: alleen de stam
hij, zij, het wordtstam + t
wij, jullie, zij wordenhet hele werkwoord

Meteen oefenen: naar de eerste oefenvraag ↓

Hoe je deze les gebruikt

  • Weinig tijd? Lees de blauwe “Onthoud dit”-blokjes en het stappenplan, en maak de tussenvragen.
  • Iets niet duidelijk? Klap de “Meer uitleg”-blokken open.
  • Gele blokken laten zien hoe je dit op de doorstroomtoets terugziet.
  • Paarse blokken zijn verdieping, handig als je richting havo of vwo werkt.
Onderdeel 1

Waarom je oor je hier niet helpt

Bij bijna alle spelling kun je afgaan op wat je hoort. Bij werkwoorden juist niet.

Zeg deze twee zinnen hardop: ik word boos en hij wordt boos. Hoor je verschil? Nee. In het Nederlands klinkt een d aan het eind van een woord precies als een t. Toch schrijf je ze anders. Dat betekent dat je hier niet naar de klank kunt luisteren, maar moet kijken naar de zin.

Het goede nieuws: er zijn maar een paar regels, en ze zijn met drie vragen af te handelen. Wie die drie vragen leert stellen, heeft dit onderdeel te pakken.

Onthoud dit — de stam

Alles begint bij de stam. Dat is het hele werkwoord zonder -en. Van branden is de stam brand, van worden is het word, van vinden is het vind. Schrijf de stam altijd eerst even apart op — dan zie je meteen of er al een t in zit.

Onderdeel 2

De drie vragen

Elke vraag over de tegenwoordige tijd los je op met deze drie, in deze volgorde.

Vraag 1: wie of wat doet het? Zoek het onderwerp. Dat is de persoon of het ding dat de handeling uitvoert. Let op: het onderwerp staat niet altijd vlak voor het werkwoord.

Vraag 2: is dat ik, jij, of iemand anders? Daar hangt alles van af:

De regel in een oogopslag
OnderwerpWat schrijf jeVoorbeeld
ikalleen de stamik word, ik vind, ik antwoord
jij / je (vóór het werkwoord)stam + tjij wordt, jij vindt
jij / je (ná het werkwoord)alleen de stamword jij, vind jij
hij / zij / het / een naamstam + thij wordt, Sanne vindt
wij / jullie / zij (meer dan een)het hele werkwoordwij worden, zij vinden

Vraag 3: eindigt de stam al op een t? Dan komt er geen tweede bij. De stam van praten is praat — die t staat er al, dus je schrijft hij praat, niet “praatt”.

Even checken
Wat is goed? De kok ___ zijn vingers. (branden)
Onderdeel 3

De valkuil van ‘jij’

Dit is de regel die de meeste volwassenen ook fout doen.

Bij jij gebeurt iets bijzonders: het hangt ervan af waar dat woord staat. Staat jij vóór het werkwoord, dan komt er een t bij: jij vindt dat leuk. Staat jij eráchter, dan valt die t weg: vind jij dat leuk?

Dat gebeurt bij vragen, maar ook bij zinnen die met een ander woord beginnen: Morgen word jij tien. Kijk dus niet alleen of het woord jij in de zin staat, maar ook wáár.

Onthoud dit — jij

Jij ervoor: t erbij. Jij erachter: t eraf. Draai de zin in gedachten om als je twijfelt: vind jij wordt jij vindt. Zie je nu de t verschijnen? Dan klopt het.

Even checken
Wat is goed? Wat ___ jij van dat idee? (vinden)
Onderdeel 4

Het onderwerp staat soms ver weg

De lastigste vragen zetten er expres iets tussen.

Kijk naar deze zin: De doos met alle oude schriften ___ nog op zolder. Vlak voor de streep staat schriften, meervoud — dus je hand wil staan schrijven. Maar stel vraag 1: wie of wat staat er op zolder? De doos. Dat is er één, dus: staat.

De toets doet dit expres. Er staat dan een woordgroep tussen het onderwerp en het werkwoord, met een meervoud erin, om je op het verkeerde been te zetten. De remedie is simpel: zoek het onderwerp door de vraag “wie of wat?” te stellen vóór het werkwoord.

Meer uitleg: hoe vind je het onderwerp zeker?

Maak van de zin een vraag door wie of wat voor het werkwoord te zetten. Bij De doos met alle oude schriften staat nog op zolder vraag je: wat staat er nog op zolder? Het antwoord — de doos — is het onderwerp.

Een tweede controle: verander het onderwerp in gedachten naar meervoud en kijk of het werkwoord meeverandert. “De dozen ... staan.” Verandert het mee, dan heb je het goede onderwerp te pakken. Verandert er niets, dan zat je bij een ander woord.

Zo zie je dit op de doorstroomtoets
Werkwoordspelling komt bij taalverzorging het vaakst voor: ongeveer een derde van alle opgaven. Meestal moet je zelf de goede vorm intypen, met de aanwijzing tt (nu) of vt (toen) erbij. Lees die aanwijzing eerst — hij staat er niet voor niets. Soms krijg je in plaats daarvan vier zinnen en moet je de goede kiezen; dan is er meestal één zin waar de t verkeerd staat.
In het kort
1Schrijf eerst de stam op: het hele werkwoord zonder -en.
2Zoek het onderwerp met de vraag “wie of wat?” — niet het woord dat het dichtst bij staat.
3Ik: alleen de stam. Hij, zij, het of een naam: stam + t. Meer dan één: het hele werkwoord.
4Jij ervoor: t erbij. Jij erachter: t eraf.
5Eindigt de stam al op een t? Dan komt er geen tweede bij.

Kun je dit nu?

Tik aan wat je beheerst. Twijfel je ergens? Scroll terug naar dat onderdeel.

Ik kan de stam van een werkwoord opschrijven
Ik vind het onderwerp, ook als er iets tussen staat
Ik weet wanneer er stam + t komt en wanneer alleen de stam
Ik weet wat er met de t gebeurt als jij achter het werkwoord staat
Ik zet geen tweede t achter een stam die al op een t eindigt

Klaar met lezen? Ga oefenen, dan blijft het pas echt hangen.

Naar de oefenvragen →

Meer over Spelling & Taalverzorging

Alles over taal in groep 8 · Taal in de doorstroomtoets

Scroll naar boven