Kijkwoorden, trema en aan elkaar of los
In les 4 kon je op je oor vertrouwen. Bij deze woorden juist niet: theater, gordijn, pannenkoek. Hier moet je kijken. Deze les laat zien waar precies, en wat er wel houvast geeft.
Hoe je deze les gebruikt
- Weinig tijd? Lees de blauwe “Onthoud dit”-blokjes en de lijst met kijkwoorden.
- Iets niet duidelijk? Klap de “Meer uitleg”-blokken open.
- Gele blokken laten zien hoe je dit op de doorstroomtoets terugziet.
- Paarse blokken zijn verdieping, handig als je richting havo of vwo werkt.
Luisterwoorden en kijkwoorden
Het belangrijkste van deze les is dat je weet wanneer je oor je in de steek laat.
In les 4 kwam je een heel eind door hardop te zeggen wat je schreef. Bij de woorden in deze les werkt dat niet, en het is belangrijk dat je dat hérkent. Anders blijf je luisteren naar een woord dat niets prijsgeeft.
| Soort | Wat doe je | Voorbeelden |
|---|---|---|
| luisterwoord | hardop zeggen, klank volgen | bussen, glazen, kraaltje |
| kijkwoord | woordbeeld onthouden | theater, vakantie, gordijn, politie |
Zeg het woord en schrijf op wat je hoort. Twijfel je bij een stukje — klinkt het als “sie”, “tee” of “ei”? — dan is dat precies het stukje dat je uit je hoofd moet kennen. Schrijf het woord drie keer over en kijk gericht naar dat stukje.
De klassieke kijkwoorden
Er zijn er niet zo veel, en ze komen steeds terug.
De meeste kijkwoorden komen uit een andere taal en hebben hun oude schrijfwijze gehouden. Let vooral op deze stukjes:
| Klinkt als | Schrijf je | Voorbeelden |
|---|---|---|
| sie | tie | vakantie, politie, informatie |
| tee | the | theater, thee, thuis |
| see | ce | circus, centrum, cent |
| k | c | cadeau, contact, directeur |
| zj | g | bagage, garage |
Dan is er nog de ij en de ei. Die klinken in het Nederlands precies hetzelfde, dus daar helpt luisteren nooit. Twee dingen geven wel houvast: woorden op -lijk en -heid hebben altijd de lange ij (vriendelijk, gelijk, waarheid), en woorden die van een ander woord komen houden diens schrijfwijze (schrijven → schrijftafel).
Het trema: twee puntjes die klanken scheiden
Hier kun je je oor wél gebruiken, op één specifieke manier.
Een trema zet je op de tweede van twee klinkers die anders als één klank gelezen zouden worden. Zonder trema lees je kopien als “ko-piiin”; met trema staat er kopieën, en dat is wat je bedoelt.
Zeg het woord langzaam en luister of je tussen twee klinkers een korte stop maakt. Ko-pie-ën, zee-ën, Itali-ë. Hoor je die stop? Dan komen er twee puntjes op de tweede klinker.
Aan elkaar of los?
In het Nederlands schrijf je veel meer aan elkaar dan mensen denken.
Vormen twee woorden samen iets nieuws, dan schrijf je ze aan elkaar: pannenkoek, zonnebloem, schoolplein, uiteindelijk. Dit heet een samenstelling. Het Engels doet dit vaak los, en dat is waarom je het steeds vaker fout ziet.
De test: zeg het hardop en luister waar de klemtoon ligt. Bij een samenstelling ligt die op het eerste stuk: PÁNnenkoek, SCHOOLplein. Bij twee losse woorden verdeel je de klemtoon gelijkmatig.
Er is een klein groepje uitzonderingen waar allebei de vormen bestaan, met een verschil in betekenis:
| Los | Betekent | Aan elkaar | Betekent |
|---|---|---|---|
| ten slotte | als laatste | tenslotte | immers |
| ten minste | op zijn minst | tenminste | althans |
Meer uitleg: de tussen-n
Bij sommige samenstellingen komt er een n tussen de twee delen: pannenkoek, zonnebloem, krantenwijk. De hoofdregel is: kan het eerste woord in het meervoud op -en, dan komt die n erin. Pan wordt pannen, dus pannenkoek. Zon wordt zonnen, dus zonnebloem.
Er zijn uitzonderingen — bij woorden die maar één ding kunnen aanduiden, zoals zonnestraal (er is maar één zon), blijft het lastig. Op de toets komt vooral de hoofdregel voor, dus die is het onthouden waard.
Hoofdletters
Twee vragen, en je hebt ze allemaal.
Vraag 1: is er maar één van, met een eigen naam? Dan hoofdletter. Mensen (Sanne), plaatsen (Amsterdam), landen (Nederland), gebouwen met een naam (het Rijksmuseum), scholen (De Wilgenhoek), en ook talen en volken (Spaans, Italiaans).
Vraag 2: is het een soort of een naam? Een museum is een soort gebouw en blijft klein. Het Rijksmuseum is de naam van dat ene museum en krijgt een hoofdletter.
Dagen en maanden krijgen in het Nederlands geen hoofdletter: maandag, januari, zomer. In het Engels wel, en daar komt de verwarring vandaan. Feestdagen krijgen hem wél: Pasen, Koningsdag.
Twee kleinere regels
Ze komen minder vaak voor, maar zijn zo geleerd.
Achtervoegsels blijven altijd hetzelfde. Hoe je ze ook uitspreekt: -lijk (vriendelijk), -heid (waarheid), -ig (grappig), -teit (kwaliteit). Herken je zo’n stuk aan het eind, dan weet je meteen hoe het geschreven wordt.
Afbreken doe je tussen de klankstukjes. Klap het woord in stukken zoals je het uitspreekt: kin-de-ren, week-end, va-kan-tie. Waar je klapt, mag het streepje.
Kun je dit nu?
Tik aan wat je beheerst. Twijfel je ergens? Scroll terug naar dat onderdeel.
Klaar met lezen? Ga oefenen, dan blijft het pas echt hangen.
Naar de oefenvragen →