Taal · Domein 5 · Theorie · Les 4

Meervoud, dubbele letters en verkleinwoorden

Bussen of busen? Glazen of glassen? Achter al deze vragen zit één en dezelfde vraag: is de klank kort of lang? Wie dat hoort, heeft de rest bijna vanzelf.

Hoe je deze les gebruikt

  • Weinig tijd? Lees de blauwe “Onthoud dit”-blokjes en doe de luistertest bij elk voorbeeld.
  • Iets niet duidelijk? Klap de “Meer uitleg”-blokken open.
  • Gele blokken laten zien hoe je dit op de doorstroomtoets terugziet.
  • Paarse blokken zijn verdieping, handig als je richting havo of vwo werkt.
Onderdeel 1

Alles draait om kort of lang

Bij werkwoorden hielp je oor je niet. Hier juist wél — als je weet waar je op let.

Zeg hardop: bus. En nu: glas. Hoor je het verschil? In bus is de u kort, in glas is de a lang. Dat verschil bepaalt bijna alles in deze les.

Waarom? Omdat een klinker in het Nederlands zijn klank verandert door wat erachter komt. Eén medeklinker maakt de klank lang, twee maken hem kort. Schrijf je het verkeerd, dan lees je een ander woord.

Onthoud dit — de luistertest

Zeg het meervoud hardop, niet het enkelvoud. Hoor je bus-sen met een korte u? Dan dubbele medeklinker. Hoor je glaa-zen met een lange a? Dan enkele medeklinker. Je oor weet het al; je hoeft het alleen te vertrouwen.

Kort of lang, en wat dat doet
WoordKlankMeervoudWaarom
buskortbussendubbele s houdt de u kort
jaskortjassendubbele s houdt de a kort
glaslangglazenenkele z laat de a lang
raamlangramenenkele m laat de a lang
Even checken — zeg het eerst hardop
Wat is het meervoud van glas?
Meer uitleg: waarom een letter de klank verandert

Het Nederlands schrijft klanken niet met vaste letters maar met lettergroepen. Een lettergreep die eindigt op een klinker heet open, en daar klinkt de klinker lang: gla-zen. Een lettergreep die eindigt op een medeklinker heet gesloten, en daar klinkt hij kort: bus-sen.

Zet je maar één s in busen, dan wordt de eerste lettergreep bu- — open, dus lang. Je leest dan “buu-sen”. De dubbele letter is dus geen versiering: hij sluit de lettergreep af en houdt de klank kort.

Dat is ook de reden dat je bij een lange klank juist níét verdubbelt. Glassen zou je lezen als “glas-sen”, met een korte a — en dat is een woord dat niet bestaat.

Onderdeel 2

Meervoud op -en of op -s?

Hier hoef je niets te weten. Je hoeft alleen te luisteren naar wat je vanzelf zegt.

De meeste Nederlandse woorden krijgen -en: jassen, glazen, paarden. Een kleinere groep krijgt -s, en dat zijn vooral woorden die eindigen op -el, -em, -en, -er of een stille -e: spiegels, bezems, tantes, meesters.

De test is eenvoudig: zeg het meervoud met allebei de uitgangen en luister welke je vanzelf zegt. “Spiegelen” klinkt als iets wat je dóét, niet als meer dan één spiegel. Dus: spiegels.

Onderdeel 3

De apostrof: alleen na een losse klinker

Er is precies één reden om hem te gebruiken, en die kun je horen.

Eindigt een woord op een losse a, i, o, u of y, dan komt er een apostrof voor de meervouds-s: foto’s, taxi’s, menu’s. Zonder die apostrof zou je de klinker kort lezen: “fotos” klinkt als “fottos”.

Eindigt het woord op een e, dan hoeft het niet: tantes, garages. En na een medeklinker al helemaal niet: jassen, bussen.

Onthoud dit — de apostroftest

Schrijf het meervoud eerst zónder apostrof en lees het hardop terug. Klinkt het als een ander woord? Dan heb je de apostrof nodig. Las klinkt als “hij las een boek”, dus: la’s. Tantes klinkt gewoon goed, dus geen apostrof.

Even checken
Wat is het meervoud van foto?
Onderdeel 4

Verkleinwoorden: vijf uitgangen

Ook hier geldt: de klank van het gewone woord moet bewaard blijven.

Het Nederlands heeft vijf uitgangen voor verkleinwoorden: -je, -tje, -pje, -kje en -etje. Welke je gebruikt, hangt af van de laatste klank van het woord. Ook hier komt je oor een heel eind: zeg het hardop en kies wat vanzelf komt.

De uitgangen op een rij
Woord eindigt opUitgangVoorbeeld
medeklinker na korte klank-jepet → petje
klinker, of l/n/r na lange klank-tjekraal → kraaltje
-m-pjebloem → bloempje
-ing (klemtoon voorop)-kjekoning → koninkje
korte klank + l, n, r, m of ng-etjebal → balletje

Let op wat er met de klank gebeurt. Bij kraal is de aa lang, en die moet lang blijven: kraaltje, niet “kraalje”. Bij bal is de a kort, en die blijft kort door de dubbele l: balletje.

Zo zie je dit op de doorstroomtoets
Deze regels komen bijna altijd als invulvraag: er staat een woord tussen haakjes en jij typt het meervoud of het verkleinwoord. De afleiders zijn steeds dezelfde drie: een letter te veel (glassen), een letter te weinig (busen), of de verkeerde uitgang (glazes). Doe daarom bij elk antwoord de luistertest voordat je het opschrijft — dan vallen alle drie meteen af.
In het kort
1Zeg het meervoud hardop en luister of de klank kort of lang is.
2Kort? Dubbele medeklinker (bussen). Lang? Enkele (glazen).
3-en of -s: zeg allebei hardop en kies wat je vanzelf zegt.
4Apostrof alleen na een losse a, i, o, u of y — test hem door hem weg te laten.
5Bij verkleinwoorden blijft de klank van het gewone woord gelijk.

Kun je dit nu?

Tik aan wat je beheerst. Twijfel je ergens? Scroll terug naar dat onderdeel.

Ik hoor het verschil tussen een korte en een lange klank
Ik weet wanneer een medeklinker verdubbelt en wanneer niet
Ik kies tussen -en en -s door het hardop te zeggen
Ik weet wanneer er een apostrof voor de s komt
Ik kan een verkleinwoord maken zonder de klank te veranderen

Klaar met lezen? Ga oefenen, dan blijft het pas echt hangen.

Naar de oefenvragen →

Meer over Spelling & Taalverzorging

Alles over taal in groep 8 · Taal in de doorstroomtoets

Scroll naar boven