Negatieve getallen
Getallen onder nul: bij temperatuur, schuld en hoogte onder zeeniveau. Je leert ze herkennen, ordenen en aflezen — precies zoals je ze op de Eindtoets tegenkomt.
Hoe je deze les gebruikt
- Weinig tijd? Lees alleen de blauwe “Onthoud dit”-blokjes en maak de tussenvragen. Dan ben je er snel doorheen.
- Iets niet duidelijk? Klap de “Meer uitleg”-blokken open voor een rustige, uitgebreide uitleg.
- Gele blokken laten zien hoe je dit op de Eindtoets terugziet.
Wat is een negatief getal?
Getallen kunnen ook onder nul gaan. Je kent ze al van de winter: het kan vriezen, en dan staat er een minteken voor.
Een negatief getal is een getal kleiner dan nul. Je herkent het aan het minteken ervoor: -3, -20, -150. Je komt ze in het dagelijks leven op drie plekken tegen: bij temperatuur onder nul, bij schuld of tekort, en bij hoogte onder zeeniveau.
Een negatief getal staat onder nul en heeft een minteken: -5. Voorbeelden: -5°C (vijf graden vorst), -20 euro (twintig euro schuld), -4 meter (vier meter onder zeeniveau).
De thermometer wijst -3°C aan: het is 3 graden onder nul, het vriest.
Je spaarrekening staat op -20 euro: je hebt 20 euro schuld.
Een duiker zit op -4 meter: 4 meter onder de zeespiegel.
Negatieve getallen op de getallenlijn
Op de getallenlijn staan de negatieve getallen links van de nul. Hoe verder naar links, hoe kleiner.
De getallenlijn loopt door onder nul. Rechts van de nul staan de positieve getallen, links de negatieve. Hoe verder een getal naar links staat, hoe kleiner het is. Daarom is -7 kleiner dan -2: het staat verder naar links.
Op de getallenlijn: verder naar links = kleiner. Dus -7 is kleiner (kouder, lager) dan -2. En elk negatief getal is kleiner dan 0, en kleiner dan elk positief getal.
De thermometer aflezen
Een thermometer is een staande getallenlijn. Stijgt of daalt de temperatuur, dan beweeg je langs de schaal.
Op een thermometer kun je aflezen hoeveel het is, en hoeveel het stijgt of daalt. Gaat de temperatuur van -5°C naar +1°C, dan is het 6 graden gestegen — je telt de stapjes op de schaal: van -5 naar 0 is 5, en van 0 naar 1 is nog 1, samen 6.
Stijgen = omhoog langs de schaal, dalen = omlaag. Tel de stapjes die je aflegt. Van -5 naar +1 is 6 stappen omhoog: de temperatuur is 6 graden gestegen.
Echt rékenen met negatieve getallen (zoals -5 + -3 als kale som) leer je pas in de brugklas. Voor de Eindtoets hoef je negatieve getallen alleen te herkennen, ordenen en aflezen in een situatie — precies wat je in deze les hebt geoefend.
Kun je het uitleggen?
Een vraag om scherp over na te denken — niet om te rekenen, maar om te verwoorden.
Iemand zegt: “-7 is groter dan -2, want 7 is groter dan 2.” Klopt dat? Leg uit waarom wel of niet.
Antwoord: Nee, dat klopt niet. Bij negatieve getallen werkt het juist andersom. Hoe groter het getal achter het minteken, hoe verder naar links op de getallenlijn — en dus hoe kleiner. -7 ligt verder van nul af aan de minkant, dus is -7 kleiner (kouder, lager) dan -2. Denk aan temperatuur: -7°C is kouder dan -2°C.
Veelgemaakte fouten
Twee valkuilen die je makkelijk vermijdt als je ze kent.
Kun je dit nu?
Tik aan wat je beheerst. Twijfel je ergens? Scroll terug naar dat onderdeel.
Dit moet je onthouden
Klaar met lezen? Ga oefenen, dan blijft het pas echt hangen.
Naar de oefenvragen →Meer over Getallen & Bewerkingen
Alles over rekenen in groep 8 · Redactiesommen: zo pak je ze aan · Rekenen in de doorstroomtoets
