Rekenen · Domein 1 · Theorie · Les 3

Vermenigvuldigen en delen

Van de tafels die je paraat hebt tot meercijferig vermenigvuldigen en de staartdeling. Plus rekenen met 10, 100 en 1000, en wat je met een rest doet.

Hoe je deze les gebruikt

  • Weinig tijd? Lees alleen de blauwe “Onthoud dit”-blokjes en maak de tussenvragen. Dan ben je er snel doorheen.
  • Iets niet duidelijk? Klap de “Meer uitleg”-blokken open voor een rustige, uitgebreide uitleg.
  • Gele blokken laten zien hoe je dit op de Eindtoets terugziet.
  • Paarse blokken zijn extra verdieping, vooral handig als je richting havo of vwo werkt.
Onderdeel 1

De tafels als basis

Alles wat met vermenigvuldigen en delen te maken heeft, bouwt op de tafels. Hoe vlotter die zitten, hoe makkelijker de rest.

De tafels van 1 tot en met 10 zijn je gereedschap. Ze paraat hebben betekent: je hoeft niet na te denken, je wéét dat 7 × 8 gelijk is aan 56. Dat scheelt op de toets enorm veel tijd en fouten.

Onthoud dit

Delen is het omgekeerde van vermenigvuldigen. Weet je dat 6 × 7 = 42, dan weet je ook dat 42 ÷ 7 = 6 en 42 ÷ 6 = 7. Eén tafelfeit geeft je dus meteen twee deelsommen.

Even checken — typ je antwoord
Reken uit: 7 × 8
Onderdeel 2

Meercijferig vermenigvuldigen

Grotere getallen vermenigvuldig je in stukjes. Je splitst, rekent de delen uit, en telt ze op.

Om bijvoorbeeld 47 × 23 uit te rekenen, splits je een van de getallen op in tientallen en eenheden. Je vermenigvuldigt elk deel apart en telt de uitkomsten op.

Onthoud dit

Splits het ene getal in tientallen + eenheden, vermenigvuldig elk deel, en tel op. 47 × 23 = (47 × 20) + (47 × 3) = 940 + 141 = 1081.

Meer uitleg: 47 × 23 stap voor stap

Splits 23 in 20 en 3. Reken nu twee makkelijkere sommen: 47 × 20 = 940, en 47 × 3 = 141. Tel die op: 940 + 141 = 1081.

Waarom mag dat? Omdat 23 keer iets hetzelfde is als 20 keer dat iets plus 3 keer dat iets. Je knipt de grote vermenigvuldiging op in twee kleine die je wél makkelijk kunt. Deze splits-aanpak werkt bij elke vermenigvuldiging met grote getallen.

Even checken
Hoe reken je 35 × 12 handig uit?
Onderdeel 3

Delen met een rest

Niet elke deling gaat precies op. Wat je met de rest doet, hangt af van de situatie.

Soms blijft er bij het delen iets over: de rest. 32 ÷ 6 is 5, met 2 over (want 5 × 6 = 30, en er blijven 2 over). In een context bepaalt de vraag wat je met die rest doet — soms rond je naar boven af, soms laat je hem vallen.

Onthoud dit

Een deling die niet opgaat heeft een rest. Lees in een verhaalsom goed wat er gevraagd wordt: heb je een extra busje/doos nodig (naar boven afronden), of tellen alleen de volle groepen (rest valt weg)?

Voorbeeld — rest interpreteren

32 kinderen gaan op stap in busjes voor 6 kinderen. Hoeveel busjes nodig?

32 ÷ 6 = 5, met 2 over. Die 2 kinderen moeten ook mee, dus je hebt een 6e busje nodig: 6 busjes. Hier rond je naar boven af.

Even checken
Een doos past 4 boeken. Je hebt 30 boeken. Hoeveel dozen heb je nodig?
Onderdeel 4

Vermenigvuldigen en delen met 10, 100 en 1000

Hier is een kortere weg: je hoeft alleen de komma of de nullen te verschuiven.

Vermenigvuldigen met 10, 100 of 1000 betekent: het getal groter maken door de komma naar rechts te schuiven (of nullen toe te voegen). Delen door 10, 100 of 1000 doet het omgekeerde: komma naar links.

Onthoud dit

× 10 = komma één plek naar rechts (of één nul erbij). × 100 = twee plekken. ÷ 10 = komma één plek naar links. Tel de nullen: zoveel plekken schuif je.

Even checken
Hoeveel is 65 × 100?
★ Extra voor havo / vwo

Waarom is 8 × 36 hetzelfde als 8 × 30 + 8 × 6?

Je mag een vermenigvuldiging opsplitsen: 8 × 36 wordt 8 × 30 plus 8 × 6. Maar waaróm mag dat — en waarom levert het hetzelfde op? Kun je het uitleggen?

Het getal 36 is niets anders dan 30 + 6. En 8 keer (30 + 6) betekent: 8 keer de hele groep van 36, wat hetzelfde is als 8 keer de 30 én 8 keer de 6, bij elkaar opgeteld. Stel je 8 rijen voor met in elke rij 36 stippen: je mag die 36 in elke rij opdelen in een blok van 30 en een blok van 6. Tel je alle 30-blokken (8 × 30 = 240) en alle 6-blokken (8 × 6 = 48) op, dan heb je precies alle stippen: 288. Deze verdeel-eigenschap is de basis onder álle handige vermenigvuldigtrucs.

Dit uitleggen — waarom de verdeel-eigenschap werkt — is echte verdiepingsstof.

Zo zie je dit op de Eindtoets
Restvragen zijn favoriete valstrikken: het kale antwoord (“7 rest 2”) staat vaak tussen de opties, terwijl de context vraagt om naar boven afronden (8). Lees daarom altijd of de rest meetelt, wegvalt, of een extra groep nodig maakt.
Let op

Veelgemaakte fouten

Drie valkuilen die je makkelijk vermijdt als je ze kent.

De rest verkeerd gebruiken
Bij “hoeveel dozen/busjes nodig” moet je vaak naar boven afronden: de rest heeft ook een plek nodig. 30 ÷ 4 = 7 rest 2 betekent 8 dozen, niet 7.
Bij splitsen het verkeerde splitsen
35 × 12 = (35 × 10) + (35 × 2). Niet (35 + 10) × (35 + 2). Je splitst het getal in stukken die je apart vermenigvuldigt en daarna optelt.
Verkeerd aantal nullen bij × 10/100/1000
× 100 is twee plekken opschuiven, niet één. Tel de nullen van het getal waarmee je vermenigvuldigt: zoveel plekken verschuift de komma.

Kun je dit nu?

Tik aan wat je beheerst. Twijfel je ergens? Scroll terug naar dat onderdeel.

Ik heb de tafels van 1 tot 10 paraat
Ik kan meercijferig vermenigvuldigen door te splitsen
Ik kan delen met een rest en de rest goed interpreteren
Ik kan vlot × en ÷ met 10, 100 en 1000
Ik kan uitleggen waarom 8 × 36 = 8 × 30 + 8 × 6

Dit moet je onthouden

01Tafels: paraat hebben. Delen is het omgekeerde van vermenigvuldigen.
02Meercijferig: splits het getal in tientallen + eenheden, reken apart, tel op.
03Rest: lees de context — naar boven afronden, of valt de rest weg?
04× en ÷ met 10/100/1000: komma opschuiven, evenveel plekken als nullen.

Klaar met lezen? Ga oefenen, dan blijft het pas echt hangen.

Naar de oefenvragen →

Meer over Getallen & Bewerkingen

Alles over rekenen in groep 8 · Redactiesommen: zo pak je ze aan · Rekenen in de doorstroomtoets

Scroll naar boven