Rekenen · Domein 2 · Theorie · Les 3

Verhoudingen en schaal

Hoe je hoeveelheden met elkaar vergelijkt: verhoudingstaal, de verhoudingstabel, en schaal op kaarten en bouwtekeningen. Praktisch rekenen dat je overal tegenkomt.

Hoe je deze les gebruikt

  • Weinig tijd? Lees alleen de blauwe “Onthoud dit”-blokjes en maak de tussenvragen. Dan ben je er snel doorheen.
  • Iets niet duidelijk? Klap de “Meer uitleg”-blokken open voor een rustige, uitgebreide uitleg.
  • Gele blokken laten zien hoe je dit op de Eindtoets terugziet.
  • Paarse blokken zijn extra verdieping, vooral handig als je richting havo of vwo werkt.
Onderdeel 1

Wat is een verhouding?

Een verhouding vergelijkt twee hoeveelheden met elkaar. Je gebruikt het bij recepten, mengen, en overal waar ‘zoveel per zoveel’ telt.

Een verhouding zegt hoe twee hoeveelheden zich tot elkaar verhouden. Maak je limonade met 1 deel siroop op 4 delen water, dan is de verhouding siroop : water gelijk aan 1 : 4. Je leest dat als “1 staat tot 4”.

Onthoud dit

Een verhouding vergelijkt hoeveelheden, geschreven met een dubbele punt: 1 : 4. Verhoudingstaal herken je aan woorden als per, op en van de (3 ballen per kind, 2 op de 5 leerlingen).

Voorbeeld — verhouding herkennen

In een klas zijn 12 meisjes en 18 jongens. De verhouding meisjes : jongens is 12 : 18.

Net als bij breuken kun je een verhouding vereenvoudigen: deel beide door 6 → 2 : 3. Op elke 2 meisjes komen 3 jongens.

Even checken
In een doos zitten 4 rode en 8 blauwe knikkers. Wat is de verhouding rood : blauw, zo eenvoudig mogelijk?
Onderdeel 2

De verhoudingstabel

Het handigste gereedschap van deze les. Met een verhoudingstabel los je bijna elk verhoudingsprobleem netjes op.

Een verhoudingstabel is een rijtje met twee regels dat je helpt om van de ene hoeveelheid de andere uit te rekenen. Je vermenigvuldigt of deelt beide regels met hetzelfde getal — net als bij gelijkwaardige breuken.

Onthoud dit

In een verhoudingstabel doe je met de bovenste en onderste regel altijd hetzelfde: allebei keer hetzelfde getal, of allebei gedeeld door hetzelfde getal. Dan blijft de verhouding kloppen.

Voorbeeld — prijs uitrekenen met een tabel

3 broodjes kosten 6 euro. Wat kosten 5 broodjes?

Reken eerst 1 broodje uit: deel beide door 3 → 1 broodje = 2 euro. Dan × 5: 5 broodjes = 10 euro.

Meer uitleg: de tussenstap via 1 (de eenheidsmethode)

De handigste route door een verhoudingstabel loopt vaak via 1. Je rekent eerst uit wat één stuk kost of weegt, en vermenigvuldigt dat dan met het aantal dat je zoekt.

Voorbeeld: 4 pennen kosten 3 euro, wat kosten 10 pennen? Eerst 1 pen: 3 ÷ 4 = 0,75 euro. Dan 10 pennen: 10 × 0,75 = 7,50 euro. Via 1 rekenen werkt altijd, ook als de getallen niet mooi op elkaar passen. Daarom heet het ook wel de eenheidsmethode.

Even checken — typ je antwoord
2 zakken chips kosten 4 euro. Wat kosten 5 zakken? (Schrijf alleen het getal)
Onderdeel 3

Schaal

Schaal is verhouding in het echt: op kaarten, plattegronden en bouwtekeningen. Een groot gebied past zo op een klein papier.

Schaal zegt hoeveel keer iets is verkleind (of vergroot). Een schaal van 1 : 100 betekent: 1 cm op de tekening is in het echt 100 cm. Het is gewoon een verhouding tussen tekening en werkelijkheid.

Onthoud dit

Schaal 1 : 100 betekent: 1 op de tekening = 100 in het echt. Van tekening naar werkelijkheid: vermenigvuldigen. Van werkelijkheid naar tekening: delen.

Voorbeeld — schaal 1 : 100

Op een plattegrond met schaal 1 : 100 is een kamer 4 cm lang. Hoe lang is de kamer echt?

4 cm × 100 = 400 cm = 4 meter. De kamer is in werkelijkheid 4 meter lang.

★ Extra voor havo / vwo

Welke kaart is gedetailleerder: schaal 1 : 25.000 of 1 : 100.000?

Twee wandelkaarten van hetzelfde gebied. De ene heeft schaal 1 : 25.000, de andere 1 : 100.000. Welke laat meer detail zien? En kun je uitleggen waarom?

Bij 1 : 25.000 is 1 cm op de kaart 25.000 cm (250 meter) in het echt. Bij 1 : 100.000 is 1 cm maar liefst 100.000 cm (1 kilometer). Op de eerste kaart past dus een veel kleiner stukje werkelijkheid op dezelfde ruimte — en daardoor zie je meer detail. Hoe kleiner het tweede getal, hoe gedetailleerder de kaart. Dat voelt tegenstrijdig, want 100.000 is een groter getal, maar het betekent juist sterker verkleind.

Dit omkeren-redeneren — groter schaalgetal betekent minder detail — is echte verdiepingsstof.

Even checken
Op een tekening met schaal 1 : 50 is een tafel 3 cm. Hoe lang is de tafel echt?
Zo zie je dit op de Eindtoets
Schaalvragen draaien vaak om de richting: moet je vermenigvuldigen of delen? Vraag jezelf af: ga ik van de kleine tekening naar de grote werkelijkheid (× ), of andersom (÷)? En let op de eenheden — soms moet je cm nog omrekenen naar meters.
Let op

Veelgemaakte fouten

Drie valkuilen die je makkelijk vermijdt als je ze kent.

Verhouding optellen in plaats van vereenvoudigen
Een verhouding vereenvoudig je net als een breuk: teller en noemer door hetzelfde getal delen. 12 : 18 wordt 2 : 3 (beide ÷ 6), niet door er getallen bij op te tellen of af te halen.
In de verhoudingstabel niet hetzelfde doen
Doe met beide regels precies hetzelfde. Vermenigvuldig je de bovenste met 3, dan ook de onderste met 3. Anders klopt de verhouding niet meer.
Bij schaal de verkeerde kant op
Van tekening naar werkelijkheid is vermenigvuldigen, niet delen. Een tafel van 3 cm bij schaal 1 : 50 is 150 cm in het echt — niet 0,06 cm. Denk: het echt is altijd groter.

Kun je dit nu?

Tik aan wat je beheerst. Twijfel je ergens? Scroll terug naar dat onderdeel.

Ik herken een verhouding en kan die noteren met een dubbele punt
Ik kan een verhouding vereenvoudigen
Ik kan een verhoudingstabel gebruiken, ook via de stap naar 1
Ik weet wat een schaal als 1 : 100 betekent
Ik kan uitleggen waarom een kleiner schaalgetal meer detail geeft

Dit moet je onthouden

01Verhouding: vergelijkt hoeveelheden (1 : 4). Vereenvoudig net als een breuk.
02Verhoudingstabel: doe met beide regels hetzelfde. Vaak handig via de stap naar 1.
03Schaal: 1 : 100 = 1 op tekening is 100 echt. Naar echt = ×, naar tekening = ÷.
04Onthoud: hoe kleiner het schaalgetal, hoe meer detail de kaart toont.

Klaar met lezen? Ga oefenen, dan blijft het pas echt hangen.

Naar de oefenvragen →

Meer over Verhoudingen, Breuken & Procenten

Alles over rekenen in groep 8 · Redactiesommen: zo pak je ze aan · Rekenen in de doorstroomtoets

Scroll naar boven