Rekenen · Domein 2 · Theorie · Les 2

Procenten berekenen

Wat een procent eigenlijk is, en hoe je er snel mee rekent: procent van een bedrag, korting en btw, en de handige 10%-methode waarmee je bijna alles uit je hoofd doet.

Kort antwoord

Procenten berekenen doe je in groep 8 het snelst met de 10%-methode: deel het bedrag door 10, dan heb je 10%, en daarmee maak je elk ander percentage. Zo is 30% van €60 gelijk aan 3 × €6 = €18.

PercentageZo reken je het uit
50%de helft: deel door 2
25%een kwart: deel door 4
10%deel door 10
1%deel door 100

Meteen oefenen: naar de eerste oefenvraag ↓

Hoe je deze les gebruikt

  • Weinig tijd? Lees alleen de blauwe “Onthoud dit”-blokjes en maak de tussenvragen. Dan ben je er snel doorheen.
  • Iets niet duidelijk? Klap de “Meer uitleg”-blokken open voor een rustige, uitgebreide uitleg.
  • Gele blokken laten zien hoe je dit op de Eindtoets terugziet.
  • Paarse blokken zijn extra verdieping, vooral handig als je richting havo of vwo werkt.
Onderdeel 1

Wat is een procent?

Procenten zie je overal: 21% btw op de bon, 30% korting in de uitverkoop. Zodra je weet wat een procent is, snap je alle berekeningen vanzelf.

Procent betekent letterlijk “per honderd”. 1 procent is 1 van de 100. Als je 100% hebt, heb je het hele ding. Een procent is dus eigenlijk een breuk met noemer 100, en ook een manier om verhoudingen makkelijk te vergelijken.

Onthoud dit

Procent = per honderd. 50% = 50 van de 100 = de helft. 100% = alles. 25% = een kwart. Het %-teken betekent gewoon “hoeveel van elke 100”.

Voorbeeld — procent als deel

In een klas van 100 kinderen dragen er 30 een bril. Dan draagt 30% een bril.

Zit de klas niet op precies 100? Geen probleem — dan reken je het om, en daarvoor gebruik je de methode hieronder.

Even checken
Hoeveel is 100% van iets?
Onderdeel 2

Procent van een bedrag berekenen

De kernvaardigheid van deze les. Met één rekenstap heb je het altijd.

Om een procent van een bedrag te berekenen, deel je het bedrag door 100 (dan heb je 1%) en vermenigvuldig je met het aantal procenten dat je zoekt. De ronde percentages — 10%, 25%, 50% — kun je vaak nog sneller uit je hoofd.

Onthoud dit

Eerst 1% uitrekenen (bedrag ÷ 100), dan keer het aantal procenten. Of gebruik de snelle wegen: 50% = helft, 25% = kwart, 10% = bedrag ÷ 10.

Voorbeeld — 25% van 80 euro

Via 1%: 80 ÷ 100 = 0,80 (dat is 1%). Dan × 25 = 20 euro.

Sneller: 25% is een kwart, en een kwart van 80 is 80 ÷ 4 = 20 euro. Zelfde antwoord, minder werk.

De 10%-methode — snel uit je hoofd

10% van een bedrag vind je door simpelweg door 10 te delen (de komma één plekje naar links). En als je 10% weet, kun je bijna elk percentage in stapjes opbouwen.

Voorbeeld — 30% van 60 euro met de 10%-methode

10% van 60 = 6 euro. En 30% is drie keer zoveel: 3 × 6 = 18 euro.

Zo bouw je het op: 5% is de helft van 10%, 20% is twee keer 10%, enzovoort.

Meer uitleg: lastige percentages opbouwen uit 10% en 5%

Veel percentages kun je opbouwen uit blokjes van 10% en 5%. Stel je wilt 35% van 200.

10% van 200 = 20. Dus 30% = 3 × 20 = 60. En 5% is de helft van 10%, dus 5% = 10. Samen: 30% + 5% = 60 + 10 = 70. Zo reken je ook ‘moeilijke’ percentages uit het hoofd, zonder de 1%-stap. Handig op de toets, want het scheelt rekenfouten.

Even checken — typ je antwoord
Hoeveel is 20% van 150 euro? (Schrijf alleen het getal, bijv. 30)
Onderdeel 3

Korting en btw

De twee situaties waarin je procenten het vaakst tegenkomt in het echt — en op de toets.

Bij korting gaat er een deel van de prijs af. Bij btw komt er een deel bij. In beide gevallen reken je eerst het procent uit, en haal je het er daarna af of tel je het erbij op.

Onthoud dit

Korting: reken het kortingsbedrag uit en haal het van de prijs af. Btw: reken de btw uit en tel die bij de prijs op. Let goed op of er iets af moet of bij.

Voorbeeld — 30% korting op een jas van 80 euro

Korting: 30% van 80. Via 10% = 8, dus 30% = 24 euro korting.

Nieuwe prijs: 80 − 24 = 56 euro. Je betaalt dus 56 euro.

★ Extra voor havo / vwo

Waarom 20% korting en daarna 10% korting niet hetzelfde is als 30%

Een winkel geeft eerst 20% korting, en daarna nog eens 10% over de nieuwe prijs. Is dat samen 30% korting? Veel mensen denken van wel. Kun je uitleggen waarom dat niet klopt?

Neem een jas van 100 euro. Eerst 20% eraf: 20 euro korting, nieuwe prijs 80 euro. Dan 10% over die 80: dat is maar 8 euro, niet 10. Je betaalt 72 euro. Bij een echte korting van 30% zou je 70 euro betalen. Het verschil komt doordat de tweede korting wordt berekend over het al verlaagde bedrag, niet over de oorspronkelijke prijs.

De kern: procenten van verschillende bedragen kun je niet zomaar bij elkaar optellen. Dit uitleggen is echt verdiepingsstof.

Even checken
Een spel kost 40 euro. Er is 25% korting. Wat betaal je?
Zo zie je dit op de Eindtoets
Let bij kortingsvragen goed op wát er gevraagd wordt: het kortingsbedrag, of de prijs die je betaalt? Dat zijn twee verschillende antwoorden. Lees de vraag dus precies, want vaak staat het goede kortingsbedrag óók tussen de antwoorden als valstrik.
Let op

Veelgemaakte fouten

Drie valkuilen die je makkelijk vermijdt als je ze kent.

Korting verwarren met eindprijs
Je rekent de korting uit (bijv. 10 euro) en vult dat in als antwoord, terwijl de prijs werd gevraagd. Lees de vraag: wil men de korting of het bedrag dat je betaalt?
Procenten zomaar optellen
20% korting en dan 10% korting is niet 30%. De tweede korting gaat over de al verlaagde prijs. Reken in stappen, niet door op te tellen.
De komma vergeten bij 1%
1% van 80 is 0,80 — niet 8. Dat is 10%. 1% = delen door 100, 10% = delen door 10. Hou het verschil scherp.

Kun je dit nu?

Tik aan wat je beheerst. Twijfel je ergens? Scroll terug naar dat onderdeel.

Ik weet dat procent ‘per honderd’ betekent
Ik kan een procent van een bedrag berekenen
Ik kan de 10%-methode gebruiken om snel te rekenen
Ik kan een korting en een eindprijs uitrekenen
Ik kan uitleggen waarom 20% + 10% korting geen 30% is

Dit moet je onthouden

01Procent: per honderd. 50% = helft, 25% = kwart, 100% = alles.
02Berekenen: 1% = bedrag ÷ 100, dan × het aantal procenten. Of via 10% = bedrag ÷ 10.
03Korting: bedrag eraf. Btw: bedrag erbij. Let op wat gevraagd wordt.
04Let op: procenten van verschillende bedragen kun je niet zomaar optellen.

Klaar met lezen? Ga oefenen, dan blijft het pas echt hangen.

Naar de oefenvragen →

Meer over Verhoudingen, Breuken & Procenten

Alles over rekenen in groep 8 · Redactiesommen: zo pak je ze aan · Rekenen in de doorstroomtoets

Scroll naar boven