Woorden in context en tekstsoorten
Twee dingen die je aan de omgeving herkent in plaats van aan het uiterlijk: wat een woord hier betekent, en wat voor tekst je voor je hebt.
Hoe je deze les gebruikt
- Weinig tijd? Lees de invulregel en de tabel met tekstsoorten.
- Iets niet duidelijk? Klap de “Meer uitleg”-blokken open.
- Gele blokken laten zien hoe je dit op de doorstroomtoets terugziet.
- Paarse blokken zijn verdieping, handig als je richting havo of vwo werkt.
Een woord dat je niet kent
Je hoeft niet elk woord te kennen. Je moet weten hoe je het afleidt.
In elke leestekst staan woorden die je nog nooit gezien hebt. Dat is geen probleem en het is ook niet de bedoeling dat je ze allemaal kent. De toets wil weten of je uit de tekst kunt halen wat zo'n woord betekent.
Streep het moeilijke woord weg en lees de zin opnieuw. Wat zou er op die plek kúnnen staan? Probeer daarna elk antwoord in de zin en lees hem hardop in je hoofd. Het goede antwoord laat de zin gewoon kloppen.
De aanwijzingen zitten bijna altijd vlak bij het woord:
- De schrijver legt het uit, vaak met dat wil zeggen, oftewel of tussen komma's.
- Er staat een voorbeeld achter.
- Er staat het tegenovergestelde bij: niet…, maar…
- De rest van de alinea gaat erover, zonder het woord te herhalen.
De klankval
Een woord dat op een ander woord líjkt, is nog niet hetzelfde woord.
Je hoofd zoekt automatisch naar iets bekends. Bij ontkiemen hoor je kiem, bij vernuftig hoor je iets met nut, bij halsstarrig hoor je hals. Soms helpt dat, en soms zit je er ver naast. Toetsmakers weten dat, en zetten zo'n klank-antwoord er expres bij.
Kies nooit een antwoord alleen omdat het woord ergens op lijkt. Doe altijd de invulregel: past het echt in de zin, met de rest van de alinea erbij?
Let ook op woorden die je wél kent, maar die hier iets anders betekenen. Een toets op school is iets anders dan een toets op een piano. Een tekst over muziek geeft dat woord dus een andere betekenis dan je gewend bent. De zin eromheen beslist, niet je gewoonte.
Meer uitleg: waarom je dit niet met woordjes leren oplost
Je zou kunnen denken: als ik gewoon meer woorden ken, heb ik dit probleem niet. Dat helpt, maar het lost het niet op. Er zijn tienduizenden woorden, en welke er in de leestekst staan weet niemand van tevoren.
Wat je wél kunt trainen is de vaardigheid zelf: uit de omgeving afleiden wat een woord doet. Die werkt bij elk woord, ook bij eentje die je over tien jaar voor het eerst tegenkomt. Veel lezen helpt daarbij dubbel — je leert woorden én je oefent het afleiden zonder dat je het merkt.
Wat voor tekst is dit?
Niet: waar gaat hij over. Maar: wat wil hij van je?
| Soort | Wil | Herken je aan |
|---|---|---|
| informatief | je iets vertellen | kopjes, feiten, getallen, geen mening |
| betogend | je overtuigen | een standpunt, argumenten, een oproep |
| verhalend | je meenemen | personages, een gebeurtenis, gedachten |
| instructief | je iets laten doen | stappen, gebiedende wijs, materiaallijst |
De valkuil is dat je op het onderwerp afgaat. Een tekst óver bijen kan informatief zijn (hoe de bijendans werkt), betogend (waarom er meer bloemen moeten komen) of verhalend (een kind dat een zwerm ziet). Hetzelfde onderwerp, drie soorten.
Vraag jezelf af: wat wil de schrijver dat ik doe of denk na het lezen? Iets weten, iets vinden, iets meemaken, of iets doen. Dat antwoord is de tekstsoort.
Waarom het uitmaakt: bij een betogende tekst gaan de vragen over argumenten, bij een informatieve over feiten, bij een verhalende over gevoelens en bedoelingen. Als je de soort herkent, weet je al ongeveer wat er gevraagd gaat worden.
Kun je dit nu?
Tik aan wat je beheerst. Twijfel je ergens? Scroll terug naar dat onderdeel.
Klaar met lezen? Ga oefenen, dan blijft het pas echt hangen.
Naar de oefenvragen →Meer over Begrijpend Lezen
- Soorten vragen bij begrijpend lezen
- Informatie opzoeken in een tekst
- De hoofdgedachte en samenvatten
- Tussen de regels lezen
- Een betoog lezen: mening en argument
Alles over begrijpend lezen in groep 8 · Alles over taal in groep 8 · Taal in de doorstroomtoets
