Taal · Domein 6 · Theorie · Les 6

Woorden in context en tekstsoorten

Twee dingen die je aan de omgeving herkent in plaats van aan het uiterlijk: wat een woord hier betekent, en wat voor tekst je voor je hebt.

Hoe je deze les gebruikt

  • Weinig tijd? Lees de invulregel en de tabel met tekstsoorten.
  • Iets niet duidelijk? Klap de “Meer uitleg”-blokken open.
  • Gele blokken laten zien hoe je dit op de doorstroomtoets terugziet.
  • Paarse blokken zijn verdieping, handig als je richting havo of vwo werkt.
Onderdeel 1

Een woord dat je niet kent

Je hoeft niet elk woord te kennen. Je moet weten hoe je het afleidt.

In elke leestekst staan woorden die je nog nooit gezien hebt. Dat is geen probleem en het is ook niet de bedoeling dat je ze allemaal kent. De toets wil weten of je uit de tekst kunt halen wat zo'n woord betekent.

Onthoud dit — de invulregel

Streep het moeilijke woord weg en lees de zin opnieuw. Wat zou er op die plek kúnnen staan? Probeer daarna elk antwoord in de zin en lees hem hardop in je hoofd. Het goede antwoord laat de zin gewoon kloppen.

De aanwijzingen zitten bijna altijd vlak bij het woord:

  • De schrijver legt het uit, vaak met dat wil zeggen, oftewel of tussen komma's.
  • Er staat een voorbeeld achter.
  • Er staat het tegenovergestelde bij: niet…, maar…
  • De rest van de alinea gaat erover, zonder het woord te herhalen.
Onderdeel 2

De klankval

Een woord dat op een ander woord líjkt, is nog niet hetzelfde woord.

Je hoofd zoekt automatisch naar iets bekends. Bij ontkiemen hoor je kiem, bij vernuftig hoor je iets met nut, bij halsstarrig hoor je hals. Soms helpt dat, en soms zit je er ver naast. Toetsmakers weten dat, en zetten zo'n klank-antwoord er expres bij.

Onthoud dit — klank is geen bewijs

Kies nooit een antwoord alleen omdat het woord ergens op lijkt. Doe altijd de invulregel: past het echt in de zin, met de rest van de alinea erbij?

Even checken
In de tekst staat: Het plan was vernuftig: met één touwtje ging de deur open èn het licht aan. Wat betekent vernuftig hier?

Let ook op woorden die je wél kent, maar die hier iets anders betekenen. Een toets op school is iets anders dan een toets op een piano. Een tekst over muziek geeft dat woord dus een andere betekenis dan je gewend bent. De zin eromheen beslist, niet je gewoonte.

Meer uitleg: waarom je dit niet met woordjes leren oplost

Je zou kunnen denken: als ik gewoon meer woorden ken, heb ik dit probleem niet. Dat helpt, maar het lost het niet op. Er zijn tienduizenden woorden, en welke er in de leestekst staan weet niemand van tevoren.

Wat je wél kunt trainen is de vaardigheid zelf: uit de omgeving afleiden wat een woord doet. Die werkt bij elk woord, ook bij eentje die je over tien jaar voor het eerst tegenkomt. Veel lezen helpt daarbij dubbel — je leert woorden én je oefent het afleiden zonder dat je het merkt.

Onderdeel 3

Wat voor tekst is dit?

Niet: waar gaat hij over. Maar: wat wil hij van je?

Herken de soort aan het doel, niet aan het onderwerp
SoortWilHerken je aan
informatiefje iets vertellenkopjes, feiten, getallen, geen mening
betogendje overtuigeneen standpunt, argumenten, een oproep
verhalendje meenemenpersonages, een gebeurtenis, gedachten
instructiefje iets laten doenstappen, gebiedende wijs, materiaallijst

De valkuil is dat je op het onderwerp afgaat. Een tekst óver bijen kan informatief zijn (hoe de bijendans werkt), betogend (waarom er meer bloemen moeten komen) of verhalend (een kind dat een zwerm ziet). Hetzelfde onderwerp, drie soorten.

Onthoud dit — één vraag

Vraag jezelf af: wat wil de schrijver dat ik doe of denk na het lezen? Iets weten, iets vinden, iets meemaken, of iets doen. Dat antwoord is de tekstsoort.

Waarom het uitmaakt: bij een betogende tekst gaan de vragen over argumenten, bij een informatieve over feiten, bij een verhalende over gevoelens en bedoelingen. Als je de soort herkent, weet je al ongeveer wat er gevraagd gaat worden.

Zo zie je dit op de doorstroomtoets
Woordbetekenisvragen zijn er in elke toets een paar, en ze staan er niet om je woordenschat te overhoren maar om te zien of je uit de tekst kunt afleiden. Vragen naar de tekstsoort zijn zeldzamer, maar de kennis erván gebruik je bij elke tekst: je weet dan waar de vragen over zullen gaan. Bij de vier of vijf teksten in een toets zit meestal minstens één van elk: informatief, betogend en verhalend.
In het kort
1Je hoeft niet elk woord te kennen; je moet het kunnen afleiden.
2Streep het woord weg en lees de zin opnieuw; probeer daarna elk antwoord in de zin.
3De uitleg staat vaak vlakbij: tussen komma's, met een voorbeeld of met een tegenstelling.
4Dat een woord ergens op líjkt, bewijst niets.
5De tekstsoort herken je aan het doel, niet aan het onderwerp.
6Weet je de soort, dan weet je ongeveer wat er gevraagd wordt.

Kun je dit nu?

Tik aan wat je beheerst. Twijfel je ergens? Scroll terug naar dat onderdeel.

Ik gebruik de zin eromheen om een woord te snappen
Ik vul de antwoorden in de zin in om ze te testen
Ik kies niet op klank of gelijkenis
Ik let op woorden die hier iets anders betekenen dan ik gewend ben
Ik herken de vier tekstsoorten aan hun doel

Klaar met lezen? Ga oefenen, dan blijft het pas echt hangen.

Naar de oefenvragen →

Meer over Begrijpend Lezen

Alles over begrijpend lezen in groep 8 · Alles over taal in groep 8 · Taal in de doorstroomtoets

Scroll naar boven