Taal · Domein 6 · Theorie · Les 2

Opzoeken: het antwoord terugvinden

Dit lijkt de makkelijkste soort vraag, en toch gaat er veel mis. Niet bij het lezen, maar bij het aanwijzen: een regel te hoog, een kolom ernaast, of een kopje gekozen omdat er een bekend woord in stond.

Hoe je deze les gebruikt

  • Weinig tijd? Lees de blauwe “Onthoud dit”-blokjes en de vingerregel bij tabellen.
  • Iets niet duidelijk? Klap de “Meer uitleg”-blokken open.
  • Gele blokken laten zien hoe je dit op de doorstroomtoets terugziet.
  • Paarse blokken zijn verdieping, handig als je richting havo of vwo werkt.
Onderdeel 1

Kies eerst je zoekwoord

Wie zonder zoekwoord begint, leest de hele tekst nog een keer.

Een opzoekvraag heeft altijd een woord dat je letterlijk in de tekst terug kunt vinden. Onderstreep dat woord in de vraag vóórdat je gaat zoeken. Kies daarbij het meest opvallende woord: een naam, een getal, een vakterm — niet een gewoon woord als “veel” of “maken”, want dat staat overal.

Onthoud dit — onderstrepen, dan zoeken

Vraag: Hoeveel fietsen stonden er op de droge dag? Het zoekwoord is droge. Zoek dat woord, leg je vinger erbij, en lees pas dan de zin.

Onderdeel 2

Twee getallen vlak bij elkaar

De klassieke valstrik: het goede getal staat er, maar er staat er ook een fout getal naast.

Teksten met cijfers zetten getallen vaak in paren neer, juist om je te testen: Op de regenachtige dinsdag stonden er 64 fietsen. Op de droge donderdag waren dat er 109. Of: Zijn hart klopt dan nog ongeveer twintig keer per minuut, terwijl dat er wakker bijna tweehonderd zijn.

Pak dus nooit het eerste getal dat je ziet. Kijk bij elk gevonden getal naar het woord ervoor en erna: hoort dit getal bij het onderwerp uit de vraag?

Even checken
In de tekst staat: Zijn hart klopt dan nog ongeveer twintig keer per minuut, terwijl dat er wakker bijna tweehonderd zijn. Hoeveel slaat het hart tijdens de winterslaap?
Onderdeel 3

Kopjes lezen vóórdat je kiest

Een kopje vertelt waar een stuk over gaat, niet welke woorden erin staan.

Bij een vraag als “onder welk kopje staat …?” is de verleiding groot om het kopje te kiezen waar een woord uit de vraag in voorkomt. Vaak klopt dat juist níét: de toets kiest expres kopjes die op elkaar lijken.

Werk daarom andersom. Lees eerst alle kopjes en bedenk per kopje wat daaronder zou staan. Kies dan pas. Twijfel je tussen twee? Lees van allebei de eerste zin.

Onthoud dit — voorbeeld

Vraag: waarom kun je een slapende egel beter niet wakker maken?
Kopjes: Eerst eten · Alles op een lager pitje · Niet storen.
Het woord “wakker” staat in geen enkel kopje. Maar Niet storen gaat over met rust laten — daar hoort deze vraag bij.

Onderdeel 4

Tekst of tabel?

Op één bladzijde staan vaak meerdere bronnen naast elkaar.

Naast de lopende tekst kan er een tabel, een kaartje of een lijstje staan. Kijk eerst wat voor soort antwoord de vraag wil:

Waar zoek je?
De vraag wilKijk in
een getal dat je kunt opzoekende tabel
een reden of een uitlegde lopende tekst
een plaats of een routehet kaartje

Let op: soms staat het onderwerp van de vraag helemáál niet in de tabel. Gaat de vraag over hoeveel gram een egel aankomt, en heeft de tabel alleen kolommen voor hartslag en periode, dan is het antwoord in de tekst te vinden.

Onderdeel 5

De vingerregel bij tabellen

Twee fouten liggen hier op de loer, en één handeling voorkomt ze allebei.

In een tabel gaat het mis op twee manieren: je leest een regel te hoog of te laag, of je leest de goede rij maar de verkeerde kolom. Beide zijn te voorkomen met je vinger.

Onthoud dit — vinger op de rij

1. Lees eerst de kopjes boven de kolommen en bepaal welke kolom je nodig hebt. Let op de eenheid: minuten, graden, euro’s?
2. Zoek in de linkerkolom het woord uit de vraag en leg je vinger daarbij.
3. Schuif met diezelfde vinger naar rechts tot je bij die kolom bent. Zo kun je niet verspringen.

Even checken
Je zoekt de hartslag van de marmot. Wat doe je eerst?
Meer uitleg: als je het antwoord echt niet kunt vinden

Soms lijkt het antwoord er gewoon niet te staan. Voordat je gokt, probeer dit: kies een ander zoekwoord uit de vraag. Vaak gebruikt de tekst een synoniem — de vraag zegt “huis” en de tekst “woning”, of de vraag zegt “beginnen” en de tekst “van start gaan”.

Werkt dat ook niet, kijk dan naar de structuur: onder welk kopje zóu dit horen? Lees die alinea helemaal. In bijna alle gevallen staat het antwoord er wel degelijk; het gebruikt alleen andere woorden dan jij verwachtte.

Zo zie je dit op de doorstroomtoets
Ongeveer een vijfde van de leesvragen is een opzoekvraag. Ze zijn goed te scoren, want het antwoord staat er letterlijk — maar de afleiders zijn er precies op gebouwd dat je een regel of een kolom verschuift. Neem hier dus juist de tijd voor: het is de soort waar zorgvuldigheid het meest oplevert.
In het kort
1Onderstreep eerst het zoekwoord in de vraag, kies het meest opvallende.
2Bij twee getallen dicht bij elkaar: kijk bij welk woord elk getal hoort.
3Lees alle kopjes voordat je er een kiest — ook als de eerste al goed lijkt.
4Een getal om op te zoeken staat meestal in de tabel; een reden in de tekst.
5Vinger op de rij, dan pas naar rechts. Niet met je ogen springen.
6Vind je het niet? Probeer een synoniem als zoekwoord.

Kun je dit nu?

Tik aan wat je beheerst. Twijfel je ergens? Scroll terug naar dat onderdeel.

Ik kies bewust een zoekwoord voordat ik ga zoeken
Ik controleer bij welk woord een getal hoort
Ik lees alle kopjes voordat ik kies
Ik weet wanneer ik in de tabel moet kijken en wanneer in de tekst
Ik gebruik mijn vinger bij een tabel

Klaar met lezen? Ga oefenen, dan blijft het pas echt hangen.

Naar de oefenvragen →

Meer over Begrijpend Lezen

Alles over begrijpend lezen in groep 8 · Alles over taal in groep 8 · Taal in de doorstroomtoets

Scroll naar boven